Er zijn coureurs die een concurrent van de baan rijden, een boordradio vol scheldwoorden produceren en vervolgens door fans worden omschreven als "een echte racer". En dan is er George Russell.
George krijgt kritiek omdat hij te netjes is. Te beleefd. Te diplomatiek. Te verzorgd. Hij ziet eruit alsof hij na een Grand Prix nog even een bestuursvergadering van een accountantskantoor gaat voorzitten.
Dat is eigenlijk zijn grootste misdaad.
In een sport waar fans houden van rebellen, vloekende wereldkampioenen en wandelende chaosmachines, komt Russell over als iemand die zijn belastingaangifte vóór februari invult. Dat maakt hem voor velen automatisch verdacht.
Als George een straf voor een concurrent bespreekt, is hij een zeurpiet.
Als een andere coureur hetzelfde doet, toont hij "race-intelligentie".
Als George zelfvertrouwen toont, is hij arrogant.
Als een ander zegt dat hij de beste is, heeft hij een winnaarsmentaliteit.
Het is een fascinerend verschijnsel. Russell wordt beoordeeld alsof hij persoonlijk verantwoordelijk is voor de regen op zondag.
Ondertussen doet hij gewoon wat een topcoureur hoort te doen: snel rijden, punten pakken, professioneel blijven en af en toe iemand irriteren door een volledige zin uit te spreken zonder een krachtterm te gebruiken.
Misschien is dat wel het probleem.
George Russell is niet de schurk die sommige fans van hem willen maken. Hij is ook niet de held die zijn fanclub van hem probeert te maken.
Hij is simpelweg een uitzonderlijk goede Formule 1-coureur die de pech heeft dat zijn grootste karakterfout lijkt te zijn dat hij eruitziet als iemand die de notulen van de rijdersbriefing vrijwillig zou rondmailen.
En eerlijk gezegd verdient dat ergens ook respect.
